Ik zal hieronder een beschrijving geven van een onderhoudstrim. Ik
benadruk dat het hier gaat om een hoef die geen echte correcties behoeft.
De vorm is vóór de trim al vrij natuurlijk. Hoeven met
afwijkingen zullen een (enigszins) aangepaste trim nodig hebben!
“The sole is your guide”, is het credo van Pete Ramey. Zijn
aanpak is ook wel bekend als de ‘Wild Horse Trim’ of ‘Witte
Lijn Strategie’ en zo doe ik het ook. 
In tegenstelling tot sommige overtuigingen is de zool wel degelijk bedoeld
om gewicht te dragen, zij het passief. De zool moet door het lopen vereelten
en dik worden. Bij een gezonde hoef zul je weinig kalkachtige losse delen
van de zool vinden – die zijn er door het lopen al afgesleten.
Zijn ze er wel, dan schrap je ze weg met je mes. Wat je overhoudt is
goed stevig zoolhoorn dat enigszins concaaf (hol) loopt.
Ook als de zool niet zo mooi hol is mag je die ronding er niet in snijden
want hiermee maak je de zool alleen maar dunner. Vanbinnen (aan de kant
van het hoefbeen) is hij nog even plat. In de loop van de tijd komt die
holte er vanzelf in. Het hoefbeen komt hoger te zitten t.o.v. de grond
(of eigenlijk: de hele hoefcapsule daalt rondom het hoefbeen tijdens
het helingsproces).
Het binnenste deel van de zool – rondom de straal – wordt
in ons natte klimaat meestal te weinig afgesleten. Daar haal ik dus meestal
wel wat van af. Voor de steunsels geldt hetzelfde: te weinig contact
met harde bodem, dus worden ze te hoog of gaan zelfs omkrullen. De straal
zelf heeft ook meestal te weinig bodemcontact waardoor er flappen ontstaan
aan de zijkanten die omkrullen en het vuil in de straalgroeven houden.
Die flappen snij ik weg. De straal wordt niet te kort, hij moet passief
contact maken met de grond. Om twee redenen: in de straal zitten sensoren
die de groei regelen. Als ze niet worden geprikkeld (een te korte straal
raakt de grond niet) groeit de hoef minder goed. Verder voelt het paard
met de straal de bodem waarop hij loopt. Hij kan daardoor reageren op
oneffenheden, hij zal minder struikelen en meer ‘aandacht’ hebben
voor hoe hij zijn voeten neerzet. Overigens beroven ijzers de straal
geheel van zijn functie.
Dan ga ik naar de hoefwand. Ik knip hem op de zelfde hoogte of iets
hoger dan de buitenste rand van de zool. De rand die ik eraf knip is
overal even dik, ook bij de hielen. Door deze aanpak worden de hielen
na verloop van tijd ‘vanzelf’ lager dan traditioneel gebruikelijk.
De meeste hoefsmeden laten de hielen te lang waardoor de zool en het
hoefbeen niet in de optimale stand staan; dit is parallel met de grond.
De hoef moet gebalanceerd zijn. Om dat te kunnen zien til ik het onderbeen
op en laat de hoef hangen. Zijn de hielen even hoog? Als je je vijl
op de hielen legt is hij dan negentig graden t.o.v. het onderbeen?
Soms is de zool scheef (de ene kant is hoger dan de andere). Dit
kan komen doordat het paard niet recht loopt (c.q. wordt gereden)
of doordat
hij veel stilstaat. Vooral de achterhoeven zijn dan vaak aan de binnenkant
hoger (lengte vanaf de kroonrand is langer). Bij jonge paarden (tot
vijf jaar) kun je dit nog aardig corrigeren, bij oudere paarden moet
je een balans vinden tussen de ideale stand en de slijtage die het
paard door zijn manier van lopen (of staan) veroorzaakt.
Met de vijl maak ik de draagrand vlak. Dit vlak zal enigszins hol lopen
(van voor naar achter) omdat de zool ook zo loopt. Behalve als het paard
nog platvoeten heeft. Als een paard met concave hoeven zijn voet neerzet
op harde bodem blijven de kwartieren net vrij van de grond (zie “The
Model”). Dan ga ik weer terug naar de straal. Ik controleer of
hij inderdaad passief contact maakt met de grond.
Terug naar de hoefwand. Deze moet overal even dik zijn. De optimale
dikte vind je meestal in de kwartieren. Eventueel teveel hoorn vijl of
knip ik weg (haaks t.o.v. de zool). Dan zet ik de hoef met de zool op
een standaard (of mijn knie). De wand van een gezonde hoef loopt vanaf
de kroonrand in een rechte lijn naar beneden. Als de hoef in een boog
loopt of er een knik in zit moet je kijken naar het eerste stukje (ongeveer éénderde)
onder de kroonrand. Dit is de hoek dit de hoef eigenlijk ‘wil’ hebben,
de zogenaamde ‘healing angle’. In principe vijl ik het onderste
deel (overige tweederde) naar de healing angle toe. Soms is het verschil
tussen de healing angle en de hoek van het onderste stuk (basement angle)
zo groot dat je niet in één trim tot de healing angle kan
terugvijlen. De hoefwand zou dan te dun worden. Doordat de hoef uitgroeit
zal de basement angle steeds meer overeenkomen met de healing angle.
Vanaf de ‘waterline’ (het binnenste, ongepigmenteerde deel
van de hoefwand) maak ik het begin van de mustangroll. De mustangroll
is een ronding van het uiteinde van de hoefwand die het afrollen van
de hoef gemakkelijker maakt en ‘çhipping’ en ‘flaring’ tegengaat.
Ik knip of vijl een wigvormig randje van de hoefwand af. De tang staat
30 graden t.o.v. de zool. Het paard loopt dus primair op de hielen en
de waterline.
Dan maak ik de mustangroll aan de bovenkant af. Ik vijl de ronding perfect.
Als laatste maak ik de hele hoornwand en de mustangroll glad met schuurpapier.
Dit om scheurtjes waarin schimmels zich kunnen nestelen te verwijderen.
Daarbij komt dat de hoef er heel mooi gaat uitzien!
|